Gezelschapsdieren - Vaccinaties
Enten of niet enten……………………….
Wij worden steeds vaker geconfronteerd met de vraag of een hond of kat nu
elk jaar geënt moet worden of niet.
Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de situatie waarin het dier
leeft en hoe het verzorgd wordt. Een huisdier dat gezonde voeding krijgt,
er gezond uitziet en zich duidelijk fit voelt, zal een goede weerstand hebben
tegen allerlei ziekten. En zal ook minder gauw een entingsreactie vertonen.
Een huisdier dat niet optimaal gezond is kan beter niet geënt worden
omdat een enting een flinke aanslag op het lichaam is en waardoor sluimerende
problemen verergerd kunnen worden.
Voor pups en kitten geldt dat er beter niet geënt kan worden op te jonge
leeftijd. Voor 12 weken leeftijd enten kan alleen maar schadelijk zijn omdat
het immuunsysteem nog niet voldoende ontwikkeld is en daardoor een grotere
kans is dat de enting schade veroorzaakt en een kleinere kans dat de enting
goed aanslaat. Eigenlijk is het immuunsysteem van onze huisdieren pas echt
volledig ontwikkeld op ongeveer een jaar leeftijd, maar gezien het feit dat
de meeste honden en katten al voor die tijd in aanraking komen met allerlei
infecties, met name als ze uit het nest weggaan en in een vreemde omgeving
terechtkomen, kan het onverstandig zijn om tot die tijd te wachten.
Voor eigenaren die hun huisdier wel willen laten enten is het verstandig
dat op de leeftijd van 12 weken en op 1 jaar leeftijd te doen. De meeste
entingen werken minimaal 5 jaar en mogelijk zelfs levenslang. Met name kattenziekte
werkt na twee entingen levenslang. Uitzonderingen hierop zijn de leptospirose
enting bij de hond, de niesziekte enting bij de kat. En voor black-and-tan
kleurige rassen parvo.
In een omgeving waar nog leptospirose voorkomt kan het verstandig zijn om
wel tegen leptospirose te enten. Het is echter ook een enting die nog wel
eens voor entreacties zorgt. Dus dat is een lastige afweging.
Niesziekte bij de kat hoeft voor een gezonde kat geen onoverkomelijk probleem
te zijn, alleen in gevallen dat er sprake is van veel stress is het een lastig
te behandelen ziekte. Voor catteries kan het een probleem zijn in verband
met het optreden van dragers, die de ziekte blijven verspreiden. Opvallend
is dat bij katten die wel geënt zijn tegen niesziekte en toch niesziekte
krijgen, deze nogal een chronisch wordt.
Het geven van entingen tegen meerdere ziektes tegelijk, de zogenaamde cocktails,
is meer belastend voor het lichaam dan ze om de beurt te geven met enkele
weken er tussen.
De hondsdolheidenting is verplicht voor dieren die naar het buitenland gaan.
De nadelen
Ondanks dat er in het verleden vaak geroepen is dat het geven van entingen
onschuldig is, blijkt nu steeds vaker dat entingen toch meer problemen veroorzaken
dan ons lief is. Er is nog niet zoveel onderzoek naar gedaan maar langzamerhand
beginnen er dingen duidelijk te worden.
Het gebeurt geregeld dat er ogenschijnlijk kerngezonde dieren geënt
worden die ineens binnen drie weken na de enting terugkomen met de meest
uiteenlopende klachten. Soms bloederige diarree, soms autoimmuun-ziektes,
spierpijnlijkheid, koorts of andere vaak vage klachten. Dat zijn dan de zichtbare
problemen. Er treden echter ook onzichtbare processen in werking die op de
lange termijn problemen kunnen geven.
Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat er tot 40 dagen na een enting een verhoogde
hoeveelheid antilichamen tegen schildklierweefsel kunnen voorkomen in het
bloed. Dat hoeft niet bij alle dieren het geval te zijn, maar als dat vaker
en langer gebeurt kan het tot een verminderde schildklierwerking leiden of
zelfs de hele schildklier buiten werking stellen.
En als dat bij een schildklier kan, kan dat waarschijnlijk ook bij andere
organen. Hier komt het vermoeden vandaan dat autoimmuunziektes waarschijnlijk
door entingen veroorzaakt kunnen worden.
Met name de hondsdolheidenting en leucose-enting kunnen bij katten zeer agressieve
tumoren geven op de plek van de enting. Dit gebeurt bij ongeveer 1 op de
1000 katten. Dit wordt veroorzaakt door een van de hulpstoffen in de entstof.
Bij honden komt deze tumor ook wel voor na de hondsdolheidenting maar bij
deze dieren is de tumor veel minder agressief.
Een alternatief
Een alternatief voor enten is het gebruik van nosodes. Dan wordt er een homeopathische
verdunning van de ziekte gemaakt en dat kan dan worden gegeven volgens een
vastgesteld voorschrift. Dit geeft ook bescherming tegen ziektes. Bij een
onderzoek in Brazilië bleek onlangs dat de meningococcennosode bij mensen
ongeveer 90% bescherming gaf. Dat is een vergelijkbare bescherming als de
enting geeft.
Zelf hebben we niet zoveel ervaring met het gebruik van ziektenosodes en
durven we er nog niet zoveel over te zeggen.
Wat ook kan is een nosode van de entstof geven na de enting. Dat is dus gepotentieerde
entstof. Dat zou de nadelige effecten van de enting tegen moeten gaan. Ook
hiermee hebben we nog niet veel ervaring maar het kan in elk geval geen kwaad.
Een mogelijkheid is om pups en kittens nosodes van de ziektes te geven tot
ze de leeftijd hebben gekregen dat ze een enting goed kunnen verwerken (12
weken) en ze dan met enkele weken tussentijd de verschillende entingen apart
van elkaar te geven. Na elke enting kan dan de entingsnosode gegeven worden
om de nadelige effecten van de entingen op te heffen.
Titers
Het is bij ons nu mogelijk om de hoeveelheid antilichamen (titer) tegen parvo
en hondenziekte te bepalen. Dat kan gebeuren op het tijdstip dat de hond
eigenlijk geënt zou moeten worden. Als de titer hoog genoeg is, dan
is een enting niet nodig. Als de titer te laag is zou een enting mogelijk
nodig zijn.
Het vervelende is echter dat de bescherming tegen ziektes niet alleen door
antilichamen plaatsvindt. Er worden ook geheugencellen aangemaakt en opgeslagen.
Op het moment dat het lichaam in contact komt met een ziekte kunnen deze
geheugencellen geactiveerd worden en kunnen ze bescherming geven. Er is geen
methode om te ontdekken of deze geheugencellen ook daadwerkelijk aanwezig
zijn.
Zo kan het dus gebeuren dat een dier lage antilichamentiter heeft en toch
beschermd is.
Een ander nadeel van deze methode is dat sommige dieren die geen hoge titer
ontwikkelen op een enting, dat ook niet doen als ze vaker geënt worden.
Op de een of andere manier is het lichaam niet in staat om voldoende antilichamen
te maken. Vaker enten geeft dan wel de nadelige bijwerkingen maar geen titer,
zodat je nog steeds niet weet of hij nu beschermd is of niet.
Al met al veel onzekerheden. We weten veel nog niet, dat maakt het moeilijker
om beslissingen te nemen. Mocht u vragen hebben dan kunnen we altijd eens
bekijken wat het beste is voor uw huisdier.
|